Rechtspraak Redactionele analyse

Een crisisverklaring voor een faillissement moet ook met de eigen cijfers kloppen

Instantie
Rechtbank Overijssel
Uitspraakdatum
19 augustus 2026
Meer deelopties
WhatsAppLinkedInE-mail

De pandemie, verstoorde aanvoerketens en stijgende kosten kunnen een onderneming hard raken. Maar wie als bestuurder daarmee een faillissement verklaart, moet ook laten zien wat die omstandigheden in het eigen bedrijf hebben veroorzaakt. In de zaak over Serenotex kwam de rechtbank Overijssel op 19 augustus 2026 tot het oordeel dat twee bestuurders daarin niet waren geslaagd. De curator, bijgestaan door Patrick Gorter, kreeg een aansprakelijkheidsveroordeling en een voorschot van €700.000 toegewezen. Naar ons oordeel is vooral de vergelijking tussen de aangevoerde oorzaken en de eigen financiële administratie leerzaam: algemene economische tegenslag vervangt geen concrete verklaring van de bedrijfsontwikkeling.

De curator maakte administratie en deponering concreet

Serenotex was in september 2022 failliet verklaard. Philippe Schol werd als curator aangesteld en trad in deze procedure in die hoedanigheid op, bijgestaan door advocaat Patrick Gorter van Schol & Gorter Advocaten. De curator stelde de bestuurders aansprakelijk voor het faillissementstekort. Zijn primaire route was artikel 2:248 BW. Daarbij beriep hij zich onder meer op schending van de administratieplicht en op te late deponering van de jaarrekening.

Het ging niet alleen om een administratieve formaliteit. De curator bracht concrete posten naar voren die volgens hem een te gunstig beeld van de onderneming gaven: de waardering van oude voorraad, de verwerking van een grote lening en een niet opgenomen verplichting voor managementvergoeding. Dat maakte het debat toetsbaar. De rechtbank kon per post beoordelen of de administratie nog voldoende inzicht bood in wat de onderneming bezat en wat zij verschuldigd was.

Een voorraad die op papier meer waard bleef dan in de praktijk

De rechtbank vond dat de bestuurders wisten dat een substantieel deel van de voorraad minder waard was dan de boekwaarde suggereerde. Er lag al langere tijd onverkochte voorraad. In de jaarrekening werd desondanks geen aanleiding gezien een voorziening wegens incourantheid te treffen. Uit latere taxatie en de financiële gegevens kwam een aanzienlijke discrepantie naar voren. De rechtbank oordeelde dat de voorraad in de relevante periode steeds voor een veel te hoog bedrag op de balans stond.

Het praktische probleem is dat een voorraadpost doorwerkt in het beeld van het eigen vermogen. Een onderneming kan financieel gezonder lijken wanneer goederen die moeilijk verkoopbaar zijn tegen een hoge waarde blijven staan. Dat kan besluiten over financiering, betalingen en voortzetting beïnvloeden. De uitspraak maakt niet iedere afwijkende waarderingsinschatting tot onbehoorlijk bestuur. Hier telden de concrete aanwijzingen voor incourantheid en de wetenschap van het bestuur mee in het oordeel over de administratie als geheel.

Ook de schuldenkant van de balans moet herkenbaar zijn

Daarnaast was een lening van €700.000 in verschillende jaarrekeningen als achtergesteld verwerkt, terwijl de achterstelling volgens de rechtbank alleen bij faillissement gold. In de betreffende jaren was nog geen faillissement. Dat rente en aflossingen elders uit de jaarstukken konden blijken, herstelde volgens de rechtbank niet het onjuiste beeld dat de balans van vreemd vermogen en garantievermogen gaf. De verwijzing naar een fout van de accountant bevrijdde de bestuurders niet van hun verantwoordelijkheid.

Verder ontbrak een voorziening voor een latente vordering van €72.000 wegens achterstallige managementvergoeding. Niet was gesteld of gebleken dat van die vordering afstand was gedaan. Ook die ontbrekende post droeg bij aan het oordeel dat de rechten en verplichtingen van de onderneming niet juist waren weergegeven. De betekenis zit dus in de samenhang: de administratie mag zowel bezittingen als schulden niet zo presenteren dat een misleidend totaalbeeld ontstaat.

Waarom de driejaarstermijn niet uit het oog mocht raken

De onderneming had in 2016 activiteiten van een ander bedrijf overgenomen. Over die transactie, de prijs en de waarde van de gekochte activa stond veel in het dossier. Toch kon de curator voor de aansprakelijkheidsvordering op deze grond niet iedere oude beslissing rechtstreeks aan het bestuur tegenwerpen. De rechtbank bakende de relevante periode af tot de drie jaar vóór het faillissement: van september 2019 tot september 2022.

Dat onderscheid is belangrijk voor een evenwichtig oordeel. De oorspronkelijke aankoop viel buiten die periode. Ook het betalen en activeren van goodwill uit 2016 werd niet op zichzelf als relevant administratief verwijt gehonoreerd; op die post was bovendien consequent afgeschreven. Oudere gebeurtenissen konden wel achtergrond bieden bij de financiële situatie. Een artikel dat de aansprakelijkheid uitsluitend aan de overname uit 2016 ophangt, zou daarom de juridische route van dit vonnis onjuist weergeven.

Het beroep op de coronaregeling vroeg onderbouwing

Ook de jaarrekening over 2019 was te laat openbaar gemaakt. De bestuurders beriepen zich op de tijdelijke coronawetgeving, die onder voorwaarden gevolgen verbond aan een publicatieverzuim dat aan de pandemie was te wijten. Volgens de rechtbank hadden zij echter niet onderbouwd dat deze concrete vertraging daarmee verband hield. Van een onbelangrijk verzuim was evenmin gebleken. De deponeringsplicht was daarom geschonden.

De les is niet dat uitzonderingen nooit kunnen helpen. De les is dat de feitelijke verbinding met de uitzondering moet worden uitgewerkt. Een algemene verwijzing naar de periode waarin een probleem speelde, is iets anders dan uitleggen welke coronagevolgen het opstellen of deponeren van juist deze jaarrekening verhinderden. Voor bestuurders en adviseurs is dat een reden om vertragingen en de oorzaken daarvan tijdig te documenteren, in plaats van achteraf alleen de maatschappelijke context te noemen.

De bijzondere kracht zat in de toetsing van alternatieve oorzaken

Bij schending van de genoemde verplichtingen speelt het wettelijke vermoeden van artikel 2:248 BW een belangrijke rol. Het bestuur moet dan aannemelijk maken dat andere feiten of omstandigheden dan het kennelijk onbehoorlijke bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement waren. De bestuurders wezen op problemen met een grote order, de pandemie, grondstof- en vrachtkosten, leveringsproblemen en de oorlog in Oekraïne. Ook noemden zij de uitwinning van een pandrecht op de voorraad.

De curator zette daar een concreet financieel dossier tegenover. De rechtbank betrok niet alleen algemene verliescijfers, maar ook liquiditeitsproblemen, ratio’s en berichten van de bestuurders zelf. Opvallend was dat juist 2021, het tweede pandemiejaar en het jaar van de blokkade van het Suezkanaal, een opleving in de cijfers liet zien. De gestelde externe oorzaken waren onvoldoende naar de onderneming vertaald. Die vergelijking tussen verklaring en eigen gegevens droeg de succesvolle aansprakelijkheidsroute.

De procesrol van Patrick Gorter en curator Philippe Schol

Het vonnis noemt Schol als eisende curator en Gorter als zijn advocaat. Hun rollen mogen niet door elkaar worden gehaald: Schol trad op ten behoeve van de faillissementsboedel; Gorter verleende hem in de procedure rechtsbijstand. De concrete procesbijdrage die uit het vonnis blijkt, is het uitwerken van de administratie- en deponeringsgebreken en het verbinden daarvan met de wettelijke bewijsvermoedens. De rechtbank volgde die primaire grondslag.

Dat verdient inhoudelijke erkenning zonder te suggereren dat de advocaat de financiële gegevens zelf heeft vervaardigd. De rechtbank gebruikte onder meer een rapport van de Belastingdienst, taxatiegegevens en correspondentie. Het geslaagde werk lag in de juridische samenhang en de gerichte inzet van die bronnen. Niet ieder aangevoerd punt werd gehonoreerd. Juist dat maakt de uitspraak overtuigend: de aansprakelijkheid rustte op een afgebakende beoordeling, niet op een ongedifferentieerde opsomming van alles wat in het bedrijf was misgegaan.

Het voorschot is een resultaat, geen vaststelling van de opbrengst

De rechtbank verklaarde dat de bestuurders hun taak kennelijk onbehoorlijk hadden vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement was. Zij werden hoofdelijk veroordeeld voor het tekort voor zover de boedelactiva niet toereikend zijn. Daarnaast werd een voorschot van €700.000 toegewezen. Het gestelde tekort was niet in omvang betwist en tegen de hoogte van het voorschot was geen matigingsverzoek gedaan. Deze onderdelen van het vonnis werden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Dat is een concreet gunstig resultaat voor de curator. Het betekent niet dat €700.000 aantoonbaar is ontvangen of dat iedere schuldeiser een bepaald percentage zal krijgen. Het definitieve tekort moet nog volgens het vonnis worden vastgesteld en de daadwerkelijke verhaalsmogelijkheden zijn een afzonderlijke vraag. Ook is met dit onderzoek geen oordeel gegeven over een eventueel hoger beroep. Het voorschot mag daarom niet als definitieve totale schade of gerealiseerde boedelopbrengst worden gepresenteerd.

Fictief voorbeeld: de voorraadhandelaar en een algemene crisisverklaring

Dit voorbeeld is volledig fictief. Een handelsbedrijf waardeert oude seizoensartikelen nog steeds tegen bedragen die bij snelle verkoop passen. Het bestuur ontvangt ondertussen berichten dat veel goederen niet meer afzetbaar zijn. Daarnaast blijft een bekende managementschuld buiten het schuldenoverzicht. Na faillissement stelt de curator vragen. De bestuurders wijzen op hoge transportprijzen en gesloten winkels. De cijfers laten echter zien dat het bedrijf al vóór die problemen structureel onvoldoende geld had en in een crisisjaar juist tijdelijk beter draaide. Dat bewijst niet automatisch dat externe ontwikkelingen geen rol speelden. Het maakt wel noodzakelijk dat het bestuur uitlegt welke eigen omzet, kosten en liquiditeit door die ontwikkelingen zijn geraakt. Een crisisverhaal zonder die verbinding biedt weinig antwoord op de concrete verwijten aan de administratie.

Checklist voor bestuurders en adviseurs

  • Controleer of oude voorraad nog tegen een verdedigbare waarde in de administratie staat.
  • Leg bekende verplichtingen vast, ook wanneer betaling is uitgesteld of intern nog wordt besproken.
  • Beoordeel of voorwaarden voor achterstelling daadwerkelijk zijn vervuld.
  • Bewaak de deponeringsdatum en documenteer concrete oorzaken van vertraging.
  • Onderbouw externe faillissementsoorzaken met de eigen omzet-, kosten- en liquiditeitsontwikkeling.
  • Onderscheid handelingen binnen de wettelijke referentieperiode van oudere achtergrondfeiten.
  • Maak bij een veroordeling onderscheid tussen voorschot, definitief tekort en daadwerkelijk verhaal.

Onze conclusie: een financieel dossier moet het verhaal kunnen dragen

De betekenis van deze uitspraak is voor ons dat zij een algemeen crisisverhaal terugbrengt naar de concrete onderneming. Externe gebeurtenissen kunnen doorslaggevend zijn, maar hun invloed moet wel blijken uit een begrijpelijke verbinding met het bedrijf. Dat geldt des te sterker wanneer de administratie zelf een te gunstige voorstelling geeft en de wettelijke bewijsvermoedens in beeld komen. De eigen berichten en cijfers kunnen dan belangrijker zijn dan een overtuigend klinkende algemene verklaring.

De curator en zijn advocaat bereikten een duidelijke aansprakelijkheidsveroordeling met een aanzienlijk voorschot. Voor andere ondernemingen is vooral de preventieve les nuttig: organiseer de administratie zo dat zij een eerlijk en actueel overzicht geeft, en leg keuzes vast voordat een faillissement de discussie bepaalt. Wie de juiste gegevens bewaart, kan zowel verantwoord besluiten nemen als achteraf beter uitleggen wat de onderneming werkelijk heeft geraakt.

Bronnen en beroepsgegevens: Rechtbank Overijssel 19 augustus 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:5191, met name rov. 4.1–4.7 en het dictum; team Schol & Gorter, uitsluitend voor identiteit, kantoorverbinding en zakelijk contact.

Veelgestelde vragen

Zijn bestuurders bij ieder faillissement persoonlijk aansprakelijk?

Nee. In deze zaak stelde de rechtbank concrete tekortkomingen in administratie en deponering vast en beoordeelde zij de wettelijke gevolgen en het tegenbewijs. Het enkele faillissement was niet de grondslag.

Waarom hielp de verwijzing naar de pandemie hier niet?

De bestuurders hadden de invloed op Serenotex onvoldoende concreet gemaakt. De rechtbank vergeleek de aangevoerde gebeurtenissen met de bedrijfsgegevens en vond geen voldoende aannemelijke andere belangrijke oorzaak van het faillissement.

Is €700.000 het definitieve faillissementstekort?

Nee. Het betreft een toegewezen voorschot. Het vonnis voorziet in nadere vaststelling van het tekort en zegt niet dat het voorschot al is ontvangen of volledig verhaalbaar is.

Kan het bestuur zich op een fout van de accountant beroepen?

Volgens de rechtbank ontnam de betrokkenheid van de accountant de bestuurders niet hun eigen verantwoordelijkheid voor de besproken balanspost. De precieze verantwoordelijkheid blijft afhankelijk van de feiten en de gestelde tekortkomingen.

Wat deden Schol en Gorter in de procedure?

Schol trad op als curator van de failliete vennootschap. Gorter was zijn procesadvocaat. De primaire aansprakelijkheidsroute via administratie, deponering en de wettelijke bewijsvermoedens leidde tot de toegewezen vorderingen.

Bij deze analyse

Bronnen

  1. Eigen kantoorprofiel · Patrick Gorter ↗
  2. Rechtbank Overijssel · 2026-08-19 · ECLI:NL:RBOVE:2026:5191 ↗

Verder lezen

Een redactionele bespreking van Ondernemingsrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →