Rechtspraak Redactionele analyse
Twintig jaar wachten laat zich niet afkopen met de waarde van de vordering
- Instantie
- Europees Hof voor de Rechten van de Mens
- Uitspraakdatum
- 29 oktober 2026
- Vindplaats
- ECLI:CE:ECHR:2026:1029JUD004459618 ↗
Wie bijna twintig jaar op een rechterlijke beslissing wacht, ondervindt niet uitsluitend schade ter hoogte van de oorspronkelijke vordering. Een compensatieregeling die dat onderscheid negeert, kan haar eigen doel missen. In Andreani en anderen tegen Italië oordeelde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 29 oktober 2026 dat zowel de redelijke termijn als het recht op een effectief rechtsmiddel was geschonden.
De zaak gaat verder dan de bekende constatering dat procedures te lang kunnen duren. Italië had al een wettelijk rechtsmiddel voor die vertraging. De nationale rechters erkenden de overschrijding en kenden geld toe. Toch bleef het rechtsherstel volgens het Hof onvoldoende, omdat een financieel plafond een werkelijke beoordeling van de ondervonden schade verdrong. Andreani en anderen tegen Italië, drie gevoegde verzoekschriften.
Drie soorten procedures, één mechanisme dat de compensatie beperkte
Het arrest voegt drie klachten samen. De eerste betrof schade door een onrechtmatige intrekking van een bouwvergunning. Die procedure duurde ruim veertien jaar over twee instanties. De tweede betrof onder meer niet-betaalde sociale bijdragen en een geschil met een werkgever. Deze zaak liep bijna twintig jaar over drie instanties.
De derde groep bestond uit schuldeisers met arbeidsgerelateerde vorderingen in een faillissement. Hun deelname aan die procedure duurde ruim twintig jaar en acht maanden. Het ging in het overzicht van het Hof om één instantie. Langdurige rechtspleging is dus niet alleen het gevolg van het doorlopen van steeds nieuwe beroepsmogelijkheden.
De compensatie werd gevraagd onder de zogenoemde Pinto-wet. Sinds een wijziging in 2012 kon de vergoeding niet hoger zijn dan de waarde van de vordering, of de lagere waarde van het door de rechter vastgestelde recht. De nationale rechters pasten dat plafond toe. Het uitgangspunt dat de vertraging moest worden vergoed, werd daardoor afhankelijk van de financiële omvang van het oorspronkelijke geschil.
Een klein financieel belang kan twintig jaar onzekerheid niet vanzelf klein maken
De bijlage bij het arrest laat de werking van het plafond concreet zien. Bij een van de schuldeisers in het faillissement bedroeg de relevante vordering 146,35 euro. Dat werd ook de nationale vergoeding voor de te lange duur. In de arbeidszaak van bijna twintig jaar was de nationale vergoeding 655,89 euro.
| Procedure | Duur volgens de bijlage | Nationale compensatie |
|---|---|---|
| Schade na intrekking bouwvergunning | 14 jaar, 5 maanden en 14 dagen | 2.953,22 euro |
| Arbeidsgerelateerd geschil | 19 jaar, 11 maanden en 5 dagen | 655,89 euro |
| Faillissement, voorbeeld van één schuldeiser | 20 jaar, 8 maanden en 30 dagen | 146,35 euro |
Deze bedragen waren niet noodzakelijk de uitkomst van een individuele vaststelling dat de betrokken personen weinig nadeel hadden ondervonden. Het waren uitkomsten van een plafond dat de compensatie koppelde aan de onderliggende waarde. Precies daar concentreerde het Hof zijn kritiek. Arrest, paragrafen 25–29 en bijlage.
Het Hof verbiedt niet iedere lagere vergoeding of ieder forfait
Een zorgvuldige lezing laat ook ruimte voor de nationale rechter. Het Hof gaat uit van een sterk, maar weerlegbaar vermoeden dat buitensporig lange procedures immateriële schade veroorzaken. In sommige gevallen kan die schade minimaal zijn of ontbreken. De rechter moet dat dan voldoende motiveren.
Ook hoeft een nationale vergoeding niet steeds exact gelijk te zijn aan wat Straatsburg zelf zou toekennen. Nationale bedragen kunnen lager liggen, zolang zij redelijk verband houden met de maatstaven uit de rechtspraak en niet kennelijk ontoereikend zijn. Het arrest schrijft dus geen universeel bedrag per vertragingjaar voor dat iedere nationale rechter mechanisch moet toepassen.
De fout zat in de toepassing van het plafond als een praktisch onweerlegbaar oordeel dat de berekende vergoeding wel toereikend móést zijn. De nationale rechters onderzochten niet werkelijk of de concrete schade en aangevoerde argumenten een andere beoordeling nodig maakten. Een beperking van de uitkomst veranderde daarmee in een vervanging van de beoordeling zelf.
Dat is de meest bruikbare gedachte uit het arrest. Een systeem kan op papier een compensatiemogelijkheid bieden en tegelijk in de uitvoering onvoldoende ruimte laten om te laten zien waarom die compensatie het werkelijke nadeel niet herstelt.
Artikel 6 en artikel 13 stellen verschillende vragen
Artikel 6 EVRM beschermt hier het recht op een beslissing binnen een redelijke termijn. Het Hof keek daarvoor naar de totale duur, het aantal instanties en de gebruikelijke factoren zoals complexiteit, gedrag van partijen en autoriteiten en wat voor de betrokkenen op het spel stond. Het vond geen omstandigheden die de vastgestelde duur konden rechtvaardigen.
Artikel 13 gaat over de effectiviteit van het rechtsmiddel tegen die overschrijding. Een voorziening kan effectief zijn doordat zij de schending voorkomt of beëindigt, of voldoende herstel biedt voor een schending die al plaatsvond. Een procedure om vergoeding te vragen is niet reeds effectief omdat zij bestaat en een bedrag oplevert.
Italië voerde aan dat de betrokkenen geen slachtoffer meer waren, omdat hun schade nationaal was erkend en vergoed. Het Hof verbond dat bezwaar aan dezelfde inhoudelijke vraag: was het herstel passend en voldoende? Het antwoord was nee. Daardoor verloren de verzoekers hun slachtofferstatus niet en konden beide klachten worden beoordeeld. Arrest, paragrafen 18–32.
Ook na een gewonnen klacht blijven schade en proceskosten aparte verzoeken
De zaak bevat een tweede procesrechtelijke les. De verzoeker in de eerste klacht diende in Straatsburg geen verzoek om billijke genoegdoening in. Het Hof kende hem daarom onder die noemer geen bedrag toe, hoewel ook in zijn zaak de schendingen werden vastgesteld.
In de arbeidszaak kende het Hof 12.700 euro aan immateriële schade toe. Voor proceskosten volgde geen vergoeding, omdat onderbouwende stukken ontbraken. De groep uit het faillissement kreeg afzonderlijke schadebedragen, uiteenlopend van 6.500 tot 10.700 euro per persoon, en gezamenlijk 3.000 euro voor kosten. Deze uitkomsten staan in de bijlage en de afzonderlijke overwegingen over genoegdoening.
Het arrest vermeldt voor die groep Andrea Saccucci als vertegenwoordiger. Het laat zien hoe de vergelijking tussen de nationale compensatie en de Europese eisen onderdeel werd van een succesvolle klacht. Het rechtvaardigt niet de conclusie dat elk door de verzoekers gevraagd bedrag is toegewezen: ook hun kosten- en schadeverzoeken werden zelfstandig getoetst.
De Nederlandse relevantie ligt in toetsbare motivering, niet in een ingevoerd Italiaans tarief
Voor ondernemers, werknemers en schuldeisers raakt de zaak aan een eenvoudig belang: langdurige onzekerheid wordt niet vanzelf gering doordat de vordering beperkt is. Bij een faillissement kan een geringe uiteindelijke uitkering bovendien naast een zeer lange procedure bestaan. Het Hof beoordeelt juist de effectiviteit van het herstel voor het wachten, niet alleen de hoogte van de oorspronkelijke aanspraak.
Dit arrest stelt geen Nederlands compensatietarief vast en beslist niet dat iedere Nederlandse begrenzing onverenigbaar is met het EVRM. De nationale procedure, rechtsgrond en omstandigheden blijven bepalend. Het geeft wel een gerichte vraag voor de rechtspraktijk: wordt de aangevoerde schade daadwerkelijk beoordeeld, of wordt een rekenregel zonder nadere motivering als voldoende antwoord behandeld?
Het Kamerarrest is op 29 oktober 2026 bekendgemaakt en wordt definitief onder de voorwaarden van artikel 44 lid 2 EVRM. De kern kan ook met die procedurele beperking helder worden geformuleerd: erkenning van te lang wachten is niet genoeg wanneer het aangeboden rechtsherstel de gevolgen van dat wachten vervolgens buiten beschouwing laat.
Bronnen
Een redactionele bespreking van Ondernemingsrecht in Nederland. Over onze redactie en werkwijze →